Terug naar hoofdinhoud

De zeven laatste woorden...

De zeven laatste woorden

Tijdens ons Voorjaarsconcert op 22 maart 2026 las de acteur Freark Smink voorafgaand aan ieder deel van Die sieben letzten Worte van Joseph Haydn een tekst die het thema van het betreffende deel op een aparte manier belicht. De teksten, geschreven door de theologe - en oud-lid van het Toonkunstkoor Heerenveen - Joanneke Kuipers, zijn gebaseerd op de teksten van Dimitri Verhulst.

In het Haydn-jaar 2009 werd de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst benaderd door het Ensor strijkkwartet om nieuwe teksten te schrijven op Die sieben letzten Worte. Het strijkkwartet wilde de teksten van de zeven laatste zinnen loskoppelen van de religieuze context en ze meer benaderen vanuit de dagelijkse realiteit. Verhulst schreef zeven prachtige teksten. Joanneke Kuipers kortte ze in en bracht ze terug tot de essentie.

 

'Pater, dimite illis, quia nesciunt, quid faciunt'
Rinus
'Vergeven maar niet vergeten'

Rinus loopt rusteloos door de kamer. Zo nu en dan kijkt hij uit het raam, in zijn hand heeft hij een foto van zijn dochter. Zijn gedachten gaan naar de goedbedoelde opmerkingen van zijn familie en vrienden. Hoeveel volkswijsheden heeft hij al gehoord? Ook vraagt hij zich af of mensen die net zoiets als hij hebben meegemaakt wel weten wat ze eigenlijk zeggen: 'Dat de zaken zijn vergeven maar niet vergeten'.

Begrijpen zij de inhoud van deze woorden wel, want 'vergeven', wat is dat eigenlijk? Hoe kan hij ooit de man vergeven die zijn dochter, een kind nog, van het leven heeft beroofd? Hij denkt eerder aan 'vergelding', aan wraak, aan genoegdoening. Mag hij de dader niet toerekenen wat hij heeft gedaan? Moet hij echt deze schuldenaar vergeven?

Want wat moet hij dan zeggen ter nagedachtenis van zijn dochter? 'Meisje, ik heb goed nieuws: ik heb de man die jou dit heeft aangedaan vergeven! Hij wist niet wat hij deed, weet je, en ik heb hem vergeven dat hij je heeft meegesleurd, geïsoleerd, vernederd en geslagen. Ik heb hem vergeven dat hij je heeft aangeboden aan anderen, dat ze jou mochten gebruiken en hebben weggegooid als oud vuil'.

Wat denk je?

Er is begrijpen, en er is begrijpen. Ja, hij is in staat tot begrip. Hij kan veel situaties en mensen begrijpen. Maar er is een 'maar'. Je kunt ook te veel willen begrijpen, te veel willen relativeren en gladstrijken, te veel omstandigheden willen laten meewegen. En voordat je het weet is de slechte jeugd, de kansenongelijkheid, de slechte vriendengroep of het lage zelfbeeld de dader geworden.

Je zult hem ook nooit horen zeggen: 'Het is vergeven maar niet vergeten'. Nooit. Het omgekeerde misschien wel, dat zou hij graag willen: alles kunnen vergeten, er niets meer van weten.

Maar vergeven, dat kan niet, toch?

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

'Hodie mecum eris in paradiso'
Omar
'Voorwaar jongen, vandaag ben je bij mij in het paradijs'

Omar zit al uren op het strand. Hij luistert naar de zee en laat de ruisende geluiden inwerken op zijn gedachten. Zijn blik is voorwaarts gericht, in vele betekenissen van het woord. Zijn gedachten gaan uit naar het hier en nu en het bestaan wat hij voor zich heeft. Hij blaast zijn adem uit in de kom die hij met zijn handen heeft gemaakt. Achter hem rusten de terrassen uit van het lawaaierig seizoen. De vele bankjes staan leeg in de zachte motregen. Hij gaat staan en ziet links van hem dat boten worden geladen en gelost. Vanavond gaat het gebeuren, dan zal hij ongemerkt plaats nemen in één van de vele containers en zal zijn nieuwe, betere leven beginnen.

Om zijn gedachten te doden probeert hij de omgeving om te toveren tot een decor vol vakantieherinneringen. Hij kijkt om zich heen en vult het decor met beelden van frisbees die vliegen van hand tot hand, met kitesurfers op de golven en spelende kinderen op het strand, met het geluid van blaffende honden en ploffende ballen. Hij wil nog veel meer beelden oproepen en toevoegen aan het decor, maar de motregen maakt het koud en onaangenaam. Hij zou naar één van de strandtentjes kunnen gaan om even op te warmen en te plassen. Hij zou zelfs geld willen geven voor zijn toiletbezoekje als dat moest. Maar geld heeft hij niet en zijn voorkomen is even armoedig. Hij loopt naar de zee en voelt zich ongemakkelijk. Zijn ongemak wordt echter weggenomen door zijn hoge nood en hij plast in zee met de wind mee. Met deze wind gaat hij vanavond varen. Dat is hem immers gezegd: 'Vandaag nog ben je bij mij in het paradijs'.

Dat is hem toch beloofd?

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

'Ecce mulier ecce filius tuus'
Martha
'Vrouw, ziedaar uw zoon'

Martha staat op het station. Het is druk. In de jaszak van haar regenjas bewaart ze vier met ham belegde boterhammen voor haar zoon. Straks zal hij aankomen met één van de vele treinen die komen en gaan. Het beeld van de vele reizigers en de komende en gaande treinen geeft haar hoop.

Verwachtingsvol kijkt Martha om zich heen. Ze is een beetje opgewonden. Straks zal ze hem eindelijk weer zien, kan ze hem eindelijk omarmen en met hem praten over alle dingen die gezegd zijn, de laatste jaren.

Ze voelt in haar jaszak de boterhammen. Wat zal hij daarvan genieten. Wat heeft hij veel geleden en gemist. Thuis wacht een kan met echte koffie, pure, onverdunde koffie van de beste bonen met cichorei. Zelfs zijn favoriete LP ligt klaar: 'Deep in A Dream' van Artie Shaw. Ze hoopt dat hij de muziek kan verdragen. Dat hij niet zo is geschaad dat zelfs muziek niet meer heelt. Ze is bang, bang dat er veel gezwegen gaat worden voortaan.

Ze heeft het wel gehoord, de opmerkingen, de onderliggende pijn en angst. Maar zwijgen, dat staat ze niet meer toe. Geen enkel verhaal mag nog zomaar van tafel worden geveegd. Deze geschiedenis mag zich niet herhalen en mag niet geschreven worden in zand.

Toch is ze zelf ook een beetje bang. Stel dat ze haar zoon niet meer herkent? Stel dat hij zo is veranderd dat hij een schim van zichzelf is geworden? Wat dan? Kan ze vertrouwen op haar eigen intuïtie? Een nieuw leven, ontstaan in een baarmoeder, dat vervreemdt toch niet? Als moeder ruikt ze, voelt en hoort ze toch zijn aanwezigheid, zijn nabijheid? Ja, een moeder herkent haar kind altijd.

Martha kijkt weer verwachtingsvol om haar heen. Treinen komen en gaan. Waar is hij? Heeft ze hem gemist? In paniek grijpt ze iemand vast: 'Hebt gij mijn zoon gezien?'

'Hoe heet hij, uw zoon?'

'Emile Bruynseels'!

'Nee, die ken ik niet. Maar dat wil niets zeggen mevrouw. We waren met zoveel. Ik ken alleen de mensen uit mijn eigen barak. Weet u ook waar de trein vandaan moet komen: Belzec? Struthof? Sobibór? Dachau? Treblinka? Auschwitz?'

Ze schudt het hoofd, nee dat weet ze niet. Ze hebben hem meegenomen, meer weet ze niet. Ze kijkt om zich heen, treinen komen en gaan, het perron raakt leeg. Morgen komt ze weer en anders overmorgen!

Hoop doet leven, toch?

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

'Deus meus, Deus meus ut quid dereliquisti me'
Mijn vader
'Mijn god, mijn god, waarom hebt gij mij verlaten?'

De avond van 11 februari 1983 kwam mijn vader thuis van zijn werk. Zoals gewoonlijk hing zijn hemd uit zijn broek en zat zijn bril scheef op zijn neusbeen. Op zich al een wonder dát hij was thuisgekomen omdat het de vrijdag voor het carnavalsweekend was. Het zou niemand verbaasd hebben als hij de woensdag pas was komen opdagen. Maar hij kwám thuis!

Zoals gebruikelijk spoedde hij zich direct naar de achtertuin van ons rijtjeshuis om daar de sportpagina's van Het Laatste Nieuws te lezen met een sigaret tussen zijn lippen. Er waren ook andere klassieke mogelijkheden geweest. Zo had hij ook op de wc in slaap kunnen vallen tijdens het lezen van een artikel dat vooruitblikte op het voetbalweekend. Ook had hij ervoor kunnen kiezen zijn vrouw de huid vol te schelden voor alles wat zij weer verkeerd had gedaan.

Het was dus vrijdag, de vrijdag voordat de voorjaarsvakantie begon. De dag waarop ik, zijn kleurloze zoon, was thuisgekomen met zijn schoolrapport. Een uitgelezen kans om mij verwijten te maken over mijn rapport waarin een rood cijfer stond voor wiskunde en middelmatige cijfers voor alle andere vakken die ertoe deden.

Ik kan het echter niet navertellen want op het moment dat mijn vader terugkeerde uit de achtertuin en de woonkamer binnenkwam, realiseerde hij zich, waarschijnlijk voor het eerst, dat het hele huis was leeggehaald. Voor het eerst begreep hij dat zijn huwelijk écht aan scherven lag en dat hij dit niet kon negeren door een potje biljarten of kaarten met zijn vrienden.

Hij keek de kamer rond en zag de enige aanwijzing van zijn huwelijk. Het huwelijksportret dat eenzaam aan de muur hing. Hij liep naar het portret, keek ernaar en zei luidop: ' Mijn god, waarom hebt gij mij nu verlaten?'

Die avond, 11 februari 1983, viel de hemel voor mijn vader. Zijn smeekbeden dat hij zou veranderen, dat hij alles anders zou doen, een ander mens wilde worden en nooit meer dit of dat zou doen, vonden geen gehoor. Ze was er niet. Ze was zomaar weggaan.

Waarom toch?

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

Sitio
Rosa
'Ik heb dorst'

Langer kon een gang niet zijn. Kouder evenmin. Aan het eind van de gang ziet hij een receptie met een verpleegkundige. Langzaam loopt hij erheen.

'Komt u voor ... ?' De verpleegkundige kijkt hem belangstellend aan en noemt de naam van zijn vrouw, zijn lieve vrouw die op dezelfde gang ligt. Achter een gordijn, bewaakt door apparatuur en verbonden aan buisjes en pompjes. Zijn lieve vrouw die de strijd der strijden strijdt.

'Hoe gaat het met haar?' Dat is het is enige wat hij nog wil weten. Hoe gaat het met haar? Komt ze er weer bovenop? Zal zij ooit nog kunnen kijken naar de eekhoorntjes in hun notelaar? Zal ze ooit nog worteltjes snijden of bloemen water geven? Zal hij haar ooit nog horen zingen?

'Ze is vanmorgen geopereerd. Ze mag de eerste 24 uur niet eten of drinken om complicaties te voorkomen. Als ze dorst heeft kunt u haar lippen bevochtigen met de wattenstaafjes die op het kastje liggen. Ze smaken naar citroen en verfrissen een beetje'.

Een beetje beduusd kijkt hij de verpleegster aan. Dat is geen antwoord op mijn vraag. Mijn vrouw lust trouwens helemaal geen citroen.

'Hoe gáát het met haar?' Hij zal de vraag net zo lang herhalen tot hij antwoord krijgt.

'Dat is moeilijk in te schatten, we moeten de eerste dag afwachten. Maar zo te zien is ze moedig, ze vecht, ze vecht echt, ook al is dat het enige. Ik begrijp dat u op meer informatie had gehoopt, maar meer kan ik u helaas niet geven'.

Hij neemt genoegen met dit antwoord. Hij moet wel. Al is het antwoord niet waarop hij had gehoopt.

'Wilt u het bezoek kort houden. Het put haar uit. Langer dan een kwartier kan eigenlijk niet.'

Een kwartier? Dat is veel te kort. Dat kunnen ze niet van hem vragen. Het zijn misschien wel de laatste momenten samen. Dat kan toch niet? Snel loopt hij naar de kamer van zijn vrouw. Ze is wakker. Haar gezicht is opgezwollen en lijkt niet op zijn geliefde vrouw. Haar ogen kijken wazig de ruimte in.
'Dag Rosa ..... Rozeken, ik ben het'. Hij ziet opgedroogd speeksel op haar kin. Ze probeert iets te zeggen, maar er klinkt alleen een krakend geluid. Het lijkt alsof ze haar lippen uit elkaar moet trekken, los moet scheuren om de lucht te laten stromen. Hij slikt en klemt zijn kaken opelkaar. Niet huilen. Niet laten zien dat hij de hoop heeft opgegeven. Hij steekt zijn duim de lucht in.

'Dorst' hoort hij opeens. 'Ik heb dorst'. In zijn tas zit nog een flesje water. Hij twijfelt. Maar dan hoort hij haar weer: 'Dorst'. Als hij weer bij op het parkeerterrein van het ziekenhuis is, kijkt hij naar boven. Als zijn geliefde vandaag nog sterft, dan godzijdank niet door de dorst.

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

Consummatum est!
Ik ben
'Het is volbracht'

Ik ben ter wereld gekomen. Ik heb gehuild, maar niet meer dan strikt noodzakelijk. Ik werd gewiegd, viel in slaap, werd op mijn rug gestreeld en boerde zoals werd verwacht. Ik ben gaan kruipen en leerde lopen. Ik leerde vast voedsel eten en werd zindelijk.

Ik ontdekte dat ik twee oma's had die om mijn liefde streden en leerde dat ieder een eigen liefde had. Ik begreep dat ik niet alleen op de wereld was, dat er sterkere en zwakkere kinderen waren en dat de wereld niet om mij draaide.

Ik hoorde van mijn ouders dat ik nu echt een grote jongen was. Ik bouwde steeds vernuftiger met mijn blokken, leerde tot honderd tellen en schreef mijn eerste zin. Ik maakte vrienden en ik speelde en vocht ermee. Ik had een lievelingskleur en lievelingsdier. Ik racete op mijn fiets door een wereld waar ik alles kende.

Ik wist wat en wie ik wilde worden, iemand anders dan ikzelf. Ik werd verliefd op wie ik niet kon krijgen en zwoer mijn eeuwige trouw aan wie mij hebben wou.

Ik werd een mens van meningen, zekerheden, theorieën en een afkeer van middelmatigheid. Ik reisde en ik zong. Mijn toekomst was begonnen en mijn plannen borg ik op. Ik plaatste tegenover elke mislukking een relativering.

Ik ontmoette de vrouw van mijn leven kort nadat ik was getrouwd. Ik moest mijn dromen laten drogen en moedig verder gaan.

Ik droeg mijn ouders naar hun graf en leerde hen later pas begrijpen. Ik zocht naar zen en zin en ik vond niets, tenzij mijn vrouw, van wie ik nog altijd houd, altijd houden zou. Ik plantte een boom en dacht: 'Ik laat iets na, ik heb bestaan'.

Ik kreeg een buikje en werd wat mollig en slap. Ik kraakte als ik opstond.

Ik had ogen om in te wonen, armen om in te liggen, een tuin met krekels en een glas in mijn hand om te proosten met mijn geliefde liefde. Ik kreeg tijd om te genieten, ik kreeg korting op de tram. Ik kon nog van alles leren toch?

Ik ging steeds vaker slapen met de gedachte dat ik misschien niet meer ontwaken zou, ik droeg mijn vrouw, toch onverwachts en zonder passend afscheid, naar haar laatste huis. Ik praatte tegen haar lege stoel, ik mompelde tegen de leegte en werd krommer en krommer. Ik volg en ik volgde, mijn tijd is op. Het is volbracht.

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

In manus tuas Domine, commendo Spiritum meum
Emma
'Vader, in uw handen beveel ik mijn geest'

Emma zit in een taxi op weg naar het ziekenhuis. Vandaag gaat ze de arts toestemming geven de stekker eruit te trekken. De stekker van de machine die haar man in leven houdt. Nu ze het besluit heeft genomen komen de herinneringen, intenser dan ooit, terug.
De dag dat ze met haar man het document ondertekende, staat haar helder voor ogen. Het document waarin hij verklaarde donor te willen zijn en zijn lichaam beschikbaar wilde stellen aan de wetenschap. Het is dezelfde dag van het ondertekenen van nóg een verklaring. Een verklaring waarin zij moesten beslissen over leven en dood in geval van handelingsonbekwaamheid. Toen leek het heel aannemelijk. Ze waren nog jong en de dood leek eerder een filosofisch dan een praktisch vraagstuk.
Ze zal het nooit vergeten. Hij ondertekende zijn wilsverklaring met een ferme zwier, zoals hij alles met een bepaalde zwier deed. Contracten, verjaardagskaarten en bestelbonnen ondertekende hij majesteitelijk en zonder scrupules met een bedrieglijke lichtheid die hem altijd wel had gekenmerkt. Ook deze keer ondertekende hij zo, maar nu met de opmerking: 'Voilà zie, in uw handen leg ik mijn geest'. En zo was het natuurlijk ook, welbeschouwd.
Na het ondertekenen waren ze samen een glas gaan drinken op een terras. Het was hetzelfde terras waar ze eerder een glas hadden gedronken na een bezoek aan hetzelfde gemeentehuis. Toen voor het indienen van hun huwelijksaangifte. Ook toen was het zomer geweest. Die middag hoorde ze voor het eerst de mop over de olifant. De mop die daarna eindeloos door hem werd verteld. Grappig dat deze mop nu zomaar opduikt in haar herinneringen. Nu ze aan hem denkt, de man van haar leven, haar buddy, haar compadre, haar 'everything en the sweetest song that she can sing', bedenkt ze, straks verliest de mop van de olifant zijn beste verteller.
Maar hij is er nog. Nu het nog nu is. Ze kan ook geen toestemming geven.
Gelukkig kan ze naar buiten kijken en haar gedachten laten uitwaaien. Straks, en dat weet ze, zal ze weer een taxi nemen. Deze taxi neemt een andere richting. Dan kan ze weer naar buiten kijken, al is dat op een hele andere manier. De gedachten die ze dan kan laten uitwaaien zullen worden overschaduwd. Hij is er dan niet meer. Deze schaduw zal nooit meer verdwijnen. Als ze dan een mooie hemel ziet, zal ze denken: ‘Het is een mooie hemel maar hij is er niet meer.’ Als ze dan mooie muziek hoort, zal ze denken: ‘Mooie muziek maar hij is er niet meer.’ Als ze geen toestemming geeft, zal hij er zijn.
Een traan glijdt langs haar wang naar beneden. Ze zijn er. De taxichauffeur kijkt achterom, ziet haar traan en vraagt: 'Gaat het?" Ze vermant zich en zegt: 'Kent u de mop van de olifant?

~~~~~~   ~~~~~~   ~~~~~~

Il Terremoto
Aardbeving

Na zes uren strijd tegen de dood wordt Jeruzalem door elkaar geschud.
Hierna is er niets, toch?